Al vormden de parochianen van Over- en Nederasselt in de negentiende eeuw al bijna tweehonderd jaar één parochiegemeenschap, toch verlangden met name de parochianen van Nederasselt naar een eigen kerk. In de jaren tachtig kregen zij steun van een groep inwoners van Overasselt die aan de Heumense kant van het dorp woonden. Pastoor Smits hield de kerk echter liever op de Schoonenburg. Nadat hij in 1889 was overleden, volgde Lambertus van Esch hem op en deze ontwikkelde zich direct als een echte bouwpastoor.
Lambertus van Esch (1844-1926), afkomstig uit Schijndel, was 45 jaar toen hij pastoor van Over- en Nederasselt werd. Net als zijn kapelaan Van Hooff, die ook al kapelaan was onder pastoor Smits, stond hij volledig achter het plan om de parochie te splitsen en er ontstond onmiddellijk een drukke correspondentie tussen de pastoor en monseigneur Godschalk, de toenmalige bisschop van Den Bosch. Niet alle parochianen waren gelukkig met het plan. Met name een aantal bewoners van het buurtschap Schoonenburg probeerde de splitsing tegen te houden. Schoonenburg was in feite de kern van Overasselt. Nog maar kortgeleden, in 1882, was daar zelfs een nieuw gemeentehuis gebouwd. Pastoor van Esch startte evenwel een intekenactie om geld bij elkaar te krijgen voor de bouw van twee nieuwe kerken met pastorieën. Deze actie verliep voorspoedig en op 9 december 1889 schreef de bisschop dat hij had besloten tot de bouw van twee nieuwe kerken en twee nieuwe pastorieën. Beide parochies zijn onder de hoede van Sint-Antonius Abt hun eigen weg gegaan. Pastoor Van Esch werd pastoor in Overasselt en kapelaan Van Hooff in Nederasselt.
De nieuwe kerk en pastorie van Overasselt zouden worden gebouwd op een perceel aan de Hoogstraat, op zo’n anderhalve kilometer van de oude waterstaatskerk. Als architect werd Carl Weber (1820-1908) aangezocht. Weber had in die tijd al een behoorlijk aantal kerken gebouwd, zoals de kerk in Raamsdonkveer, waar Van Esch lange tijd kapelaan was geweest. In de periode van 1881 tot 1893 liet Weber zich inspireren door de Rijnlandse romano-gotische stijl. Ook de kerk van Overasselt zou hieronder kunnen worden gerangschikt, al wijkt de kerk op meerdere punten af van andere Weberse kerken uit die periode. Zeer opvallend is dat de kerk maar één toren heeft. Op de plaats waar volgens het oorspronkelijke ontwerp de tweede toren had moeten staan is een doopkapel gebouwd (tegenwoordig Mariakapel), vermoedelijk om financiële redenen. Ook is de toren vier meter lager dan pastoor Van Esch zich had voorgesteld.
In het voorjaar van 1890 is men met de bouw begonnen. De begroting van 36.200 gulden werd, zoals wel vaker bij Weber, flink overschreden, zozeer dat pastoor Van Esch de bouw liet stilleggen. Nadat op een parochievergadering de familie Vos zich garant stelde voor de overschrijdingen, kon het werk worden hervat. De bouw werd nogmaals vertraagd door de strenge winter van 1890-1891, maar in de zomer van 1891 kwam de kerk dan toch gereed. De totale bouwkosten bleken 60.200 gulden. Hiermee was er geen geld meer voor een nieuwe inventaris en werd alles wat in de oude waterstaatskerk nog bruikbaar was overgebracht naar de nieuwe kerk.
Op 10 augustus 1891 vond de officiële inwijding plaats door monseigneur Godschalk. Het Heilig Sacrament werd in een plechtige optocht van de oude naar de nieuwe kerk overgebracht, waar de kerkwijding plaatsvond, gevolgd door een pontificale gregoriaanse mis.










